Log in
Welkom op Seblog, het weblog van Sebastiaan Andeweg. Ik ben een schrijver en nerd uit Nijmegen. Ik ben ook te vinden op Twitter, Instagram en nu en dan op LinkedIn. Als ik code schrijf staat dat op Github en als ik rondjes ren staat dat op Strava. Ik zit stiekem ook weer op Facebook na 2,5 jaar weg te zijn geweest.

Blog

Vind ik leuk

Ik klik weer te snel op ‘vind ik leuk’. Toen ik besloot al mijn likes eerst op Seblog te zetten, werd een like voor mij meer moeite en dus waardevoller. Ik likete alleen dingen die ik echt leuk vond en om er achter te komen of je iets leuk vindt moet je het eerst tot je nemen. In het geval van een artikel is dat dus: lezen.

Bij Facebook vind ik het lastiger om likes eerst op mijn weblog te zetten, omdat de meeste posts op Facebook privé zijn. Ik wil mijn voorpagina hier niet vullen met ‘Seb vindt dit leuk’-links naar pagina's die de meeste bezoekers niet mogen zien. Dus post ik nu dergelijke likes als privé-posts, waarbij ik aangeef dat $friends het mogen bekijken. (Ik heb alleen nog helemaal niets gebouwd dat $friends vertaalt naar toegang voor vrienden, dus niemand kan ze zien, zelfs ikzelf niet.)

Het andere probleem met likes op Facebook is dat ze net iets anders betekenen dan ‘hé wat een goed verhaal’. Een like is op een bepaalde manier een aanmoediging, maar een like op Facebook betekent ook vooral ‘hé ik waardeer jou als persoon’ (of in elk geval het beeld dat die persoon schetst). Tenminste, dat is een oude gedachte van me, van vóór ik stopte, die ik nu weer opnieuw ontdek. En iemand waarderen als persoon kan zónder de inhoud te kennen. Dus klik ik nu op ‘vind ik leuk’ voor ik het artikel dat iemand deelt gelezen hebt.

Ergens mondt dit uit in een discussie over het onderscheid tussen like en favorite, en misschien ook wel de poke. Sommige likes die ik heb gepost zijn meer een favorite, als zijnde een inhoudelijke ‘vind ik leuk’, en sommige likes zijn meer een ‘hé wat leuk dat je gepost hebt’. In die laatste gevallen zou ik er misschien een poke van moeten maken, maar ja, ik weet niet of het wenselijk is om daar een IndieWeb-variant van te hebben.

Uiteindelijk is het ook gewoon je eigen like-policy. Ik denk dat ik gewoon weer wat inhoudelijker naar zaken moet gaan kijken en me niet zo veel moet laten afleiden door Facebook. Binnen de context van Facebook druk je sneller op ‘vind ik leuk’, maar dat betekent denk ik vooral dat je weer terug moet gaan naar je eigen context. In die eigen context is het logischer om ‘vind ik leuk’ uit te delen aan posts die je leuk vindt, en gewoon koffie te gaan drinken met mensen die je leuk vindt.

100 dagen

De afgelopen twee weken waren een beetje vaag. Ten eerste is het nu 2017, waar ik nog niet helemaal aan gewend ben, en ten tweede is het nu al de tweede week van 2017, wat echt veel te snel gaat. Ik heb het gevoel dat ik niets gedaan heb in die twee weken. Dat is niet helemaal waar, maar het gevoel is er wel.

Het gevoel is wel verklaarbaar. De afgelopen weken ben ik vooral bezig geweest met het verbouwen van mijn weblog, het bijhouden van #indieweb op IRC en hier en daar met wat websites voor anderen. (Ik heb inmiddels ook een best leuke todo.txt set-up, maar daar blog ik later nog wel eens over.) Al met al sliep ik van 3:30 tot veel te laat en haalde ik niet veel voldoening uit mijn dag.


Gister vond ik dat het anders moest, dus hield ik een schermloze dag. Ik liet mijn telefoon en laptop uit en dwong mezelf om andere dingen te verzinnen om te doen.

Het was heel interessant. Op gegeven moment stond ik in een boekhandel naar boeken te kijken en dacht ik: nu doe ik weer precies wat ik al twee weken doe. Ik verzamel meer informatie om tot me te nemen, voor zometeen, terwijl ik daarmee eigenlijk blijf hangen in een soort oppervlakkigheid. Nog steeds nam ik niet de tijd om de informatie die ik in mijn hoofd aan het verzamelen was te verwerken.

Enfin, ik heb nog een tijd in de bieb gezeten met een notitieboekje, nadenkend over dingen, súperintellectueel. Weer thuis gekomen heb ik mijn kamer verbouwd, heb ik voor het eerst sinds tijden weer wat boeken gelezen en heb ik dus allemaal plannen gemaakt over hoe ik dit beter kan aanpakken.


Daarom nu: ik ga een 100-dagenchallenge doen. Het idee is niet nieuw, ik heb het van Aaron Parecki en die heeft het vast weer van anderen. Hij bouwt elke dag een stukje van zijn site uit én hij schrijft elke dag een stukje muziek. Ik heb al een aantal keer bedacht dat ik zoiets ook zou moeten doen, omdat ik praktisch gezien al elke dag iets aan mijn weblog verander, maar dat niet op diezelfde manier deel. Dus bij dezen:

  • Ik ga 100 dagen lang elke dag iets aan mijn website veranderen. Details straks in het Engels.
  • Ik ga 100 dagen lang elke dag 500 woorden schrijven en die hier op mijn weblog plaatsen. Het eerste stukje vind je hier.

De teksten kan je komende dagen vinden onder de categorie #100dagen500woorden. Waarschuwing vooraf: ik heb niet gezegd dat dit goede teksten gaan worden, ik heb alleen gezegd dat ze er 100 dagen lang elke dag zijn en dat ze ongeveer 500 woorden per stuk zijn.

Ook alvast een uitzondering: elke tiende dag ga ik weer zo’n schermloze dag houden, waarbij ik mijn laptop en telefoon uit laat, want dat beviel enorm. Ik denk dat ik voor die dagen een tekstbeeld teken, wat met de hand schrijf en dat de volgende dag post.

Terug op mijn eigen blog

Mijn blog leeft weer de laatste tijd. Dat is wel eens anders geweest. Over het algemeen genomen zijn de meeste blogs een beetje doodgegaan de afgelopen jaren, en Seblog was daar geen uitzondering op. Inmiddels plaats ik zo’n vier stukjes per dag, wat natuurlijk weer het andere uiterste is. Wat is er allemaal aan de hand?


Naast gewone blogposts (zoals deze: lange stukken met een titel) plaats ik tegenwoordig op Seblog ook korte posts, of ja, zeg maar gewoon tweets. Ik heb mij voorgenomen om alles wat ik op Twitter zet eerst op Seblog te zetten. En dat doe ik ook met Instagram. Om het nog erger te maken: ik post zelfs mijn likes hier. Een poging tot own your data.

Het doel is tweeledig. Aan de ene kant is dit een poging om de macht van de sociale media in te perken. (Klinkt gaaf toch?) Aan de andere kant doe ik zo weer wat met mijn eigen site. In alle gevallen gaat het om weer controle nemen over mijn digitale identiteit. Wie wil weten hoe het met Seb is kan gewoon op Seblog.nl kijken. Hier staat alles en delen van deze content is ook elders te vinden.


Gek genoeg is deze openheid van alles op één openbare plek posten naar mijn idee ook de eerste stap naar meer privacy op het web. Op dit moment moet alle informatie op deze site openbaar zijn, omdat het anders geen functie heeft. Maar dat is mijn eigen keuze: ik kan de toegang tot deze informatie regelen hoe mij dat zelf het beste lijkt.

Ik zou sommige posts achter een wachtwoord kunnen plaatsen (waarschijnlijk niet de beste optie), of mensen laten inloggen met hun eigen site of een Twitter-account. Op Facebook kan ik ook vrij nauwkeurig aangeven welke Facebookaccounts ik toegang wil geven tot mijn post, maar uiteindelijk deel ik de post altijd met Facebook zelf, daar ontkom ik niet aan. Op mijn eigen site heb ik die vrijheid wel en is privé ook echt privé.


Ooit waren blogs hip en had iedereen ze. Later kwamen er sites als Twitter en Facebook. Geleidelijk aan zijn we minder en minder gaan schrijven op blogs en meer en meer korte stukjes gaan posten op sociale media. ‘Bloggen’ werd synoniem met lange stukken schrijven (zoals deze) en tja wie las die ook eigenlijk nog? En omdat we eigenlijk ook wel wisten dat bloggen stiekem veel nobeler was dan tweeten ontwikkelden we dat schuldgevoel van ‘o ja, mijn blog, die moet ik nodig eens updaten’. Zo werkte het voor mij althans. Er zijn tijden geweest in de bijna 11 jaar dat ik dit domein heb dat ik er maanden niet op keek omdat het vorige stukje ook al ging over dat ik toch echt weer wat vaker iets moest schrijven en ik nu ook niets beters wist.

Omdat ik mezelf nu toesta om korte dingen op mijn weblog te plaatsen heb ik geen schuldgevoel meer als ik hem open. En dus durf ik af en toe weer iets langs te schrijven (zoals dit). En dat is dan ook oké.

Daarnaast geeft Twitter me nog steeds de discovery die vroeger op blogs miste. En de interacties, want wie reageert op de tweet die hieronder (naast de datum van de post) is gelinkt, ziet zijn reactie onder deze post verschijnen. Dankzij diverse Indieweb-technieken kan ik het beste van twee werelden hebben.

En twee werelden hoeven het trouwens niet te zijn. Om te reageren op mijn post heb je geen Twitter nodig. Wie op zijn eigen site een stukje schrijft en die opmaakt met Microformats, kan onderaan deze pagina de url achterlaten, dan verschijnt hij ook. (Vraag gerust, ik help graag.)

Omdat je op bovenstaande manier zelfs deze pagina kan liken, is een externe service als Twitter of Facebook in principe helemaal niet nodig. Het enige wat we nodig hebben: mijn site en jouw site.


Mijn site heeft heel veel toeters en bellen op dit moment. Het geeft automatisch webmentions (reacties en likes) weer. Het stuurt automatisch webmentions naar de sites waar ik op reageer (mits ze dat ondersteunen). Ik kan een stukje posten via de app van een ander en als ik aangeef dat het op Twitter moet staan, zet mijn site het automatisch op Twitter. Maar zo fancy hoeft het niet te zijn.

Je eigen website start met een domeinnaam –voornaamachternaam.nl, nickname.com, fashionbabe.cute – en een pagina waarop staat dat jij dat bent. Of iets over pony’s, dat is aan jou. Het is jouw stukje internet en niemand kan dat afpakken. (Instagram kan en mag elk moment besluiten dat jouw accountnaam niet meer jouw accountnaam is. Weg posts. Of stel je voor dat Hyves opeens weg gaat, waar blijven al je krabbels dan?)

En het is minder moeilijk dan het lijkt. Roep en ik schrijf er een blogpost over.


Ooit was dit een weblog. Ik geef toe dat de voorpagina momenteel een beetje een janboel is. Er staan allemaal verschillende types posts over verschillende onderwerpen door elkaar. Niet alles is voor iedereen relevant. De uitdaging is dat ik een veelzijdig persoon ben en dus veelzijdige dingen maak en deel. Dat is een andere functie van verschillende social media: je kan overal net even een ander facet van jezelf zijn.

Maar ook hierin heb ik dus een eigen keuze. Het is mijn website, dus ik kan zelf beslissen hoe ik mijn informatie filter. En zo zijn er meer problemen, maar die kunnen we al doende oplossen. Het belangrijkste is dat we iets doen, en wat ik nu doe is stukjes op mijn eigen site plaatsen.

Het nare van alternatieven voor Twitter of Facebook en andere social media is dat ze uiteindelijk vaak neerkomen op ‘als iedereen nou...’ Het probleem daarvan is dat niet iedereen mee wil in die ‘als iedereen nou’. (En vaak komt het niet eens tot ‘als iedereen nou’ maar blijft het hangen bij ‘als meer mensen nou’.) Het fijne van je eigen website hebben, is dat je helemaal niet hoeft te wachten op ‘als iedereen nou’. Jij hebt gewoon je feestje, en wat de rest doet moeten zij weten.

Neem het heft in eigen handen, neem een website.

Seb leert unittesten met PHP (deel 1)

Oké, dit wordt zo'n blogpost die ik voor mijn gevoel voor niemand schrijf, omdat het grootste deel van mijn lezers geen idee heeft van PHP en de lezers die wel een idee van PHP hebben naar mijn gevoel allang weten wat unittesten is. Maar hé, misschien ben jij ook wel zoiemand als ik, die wel z’n weg weet in PHP maar gewoon nooit aan unittesten is toegekomen. Bij dezen draag ik deze blogpost op aan jou.

Vorig jaar wist ik eigenlijk niet goed wat Git was, terwijl ik zag dat vrijwel iedereen dat gebruikte. Het was er gewoon nooit van gekomen, na HTML en CSS en PHP en MySQL en Javascript en al die duizend andere dingen die je moet leren als je een website wil bouwen. Dus leerde ik het afgelopen jaar Git (en Github) te gebruiken en daar ben ik heel blij mee. Het resulteerde in mijn eerste gemergede pull request, wat gewoon een knip-en-plakwerkje was, maar toch goed voelt.

Wie de PR leest ziet dat ik na mijn knip-en-plakwerkje nog werd gevraagd om ook even de test te knip-en-plakken. Spannend. Dus ik knipte en plakte en hoopte dat alles goed kwam. Ik hoorde er niets meer over en het werd gemerged, dus alles was blij en bloemetjes, maar er bleef wel een knagend gevoel over: hoe zit dat, geautomatiseerd testen?

Na enig research bleek dat zowel php-comments als Kirby (het CMS waar dit weblog op draait) hun tests uiteindelijk bestaan uit een class die PHPUnit_Framework_TestCase extend. Eén duckduckgo later vond ik phpunit.de, wat blijkbaar dé testsuite voor PHP is. Ik sloot alles af en besloot er later weer naar te kijken.

Later

Vandaag was ik dus vastbesloten om uit te zoeken hoe dit werkte. Of beter eigenlijk: ik kwam het weer tegen en raakte er langzaam in verzeild toen ik eigenlijk iets anders zou moeten doen.

Het begon allemaal heel simpel. Op de site van phpunit stond een link voor ‘Take the first steps’, die wel relevant leek. Daar stond het volgende stappenplan voor in de terminal:

$ wget https://phar.phpunit.de/phpunit.phar

$ chmod +x phpunit.phar

$ sudo mv phpunit.phar /usr/local/bin/phpunit

$ phpunit --version
PHPUnit 5.7.0 by Sebastian Bergmann and contributors.

Ik had al problemen bij stap 1 omdat mijn Mac kennelijk geen wget heeft. Ik probeerde nog wat met curl https://(…) -L | nano maar dat lukte ook niet geweldig. Uiteindelijk heb ik ‘m gewoon even via de browser gedownload. De overige stapjes werkten prima.

De volgende stap blijkt dan dus om in terminal naar de map te gaan waar het bestand phpunit.xml in zit, in mijn geval dus cd ~/code/php-comments/. Toen ik phpunit deed in die map, kreeg ik een foutmelding dat /vendor/autoload.php niet bestond. Dit los je op in de volgende twee stappen, die ik natuurlijk in de verkeerde volgorde deed:

  1. Roep phpunit aan met de bootstrap-vlag:

    $ phpunit --bootstrap vendor/autoload.php
  2. Installeer indien nodig eerst (!) de dependencies via composer.
    $ composer install

Toen ik nogmaals stap 1 uitvoerde kreeg ik het volgende:

$ phpunit --bootstrap vendor/autoload.php
PHPUnit 5.7.5 by Sebastian Bergmann and contributors.

.................................                                 33 / 33 (100%)

Time: 105 ms, Memory: 12.50MB

OK (33 tests, 82 assertions)

We kunnen dus gerust stellen dat mijn knip-en-plakwerkje alle tests haalt. Volgende stap is om zelf tests te gaan schrijven voor dingen die ik maak, maar dat bewaren we even voor een andere keer.

Ideeën over een terugkeer naar Facebook

Net terug van de speciale kerstaflevering van de schrijfwerkplaats van Wintertuin, waar we het voor de verandering over dingen rond het schrijven hadden in plaats van over teksten zelf. Mijn persoonlijke conclusie van de avond is een beetje dat ik misschien weer terug naar Facebook moet, vooral voor punt 7 van het whiteboard: Netwerken.

Ik ben nu iets meer dan twee jaar van Facebook af en op zich gaat dat prima. Als in: ik leef nog en ken nog mensen. Als in: ik mis vast dingen maar zij missen me ook niet. Als in: er is een wereld waaraan ik kies niet mee te doen omdat het inschrijfgeld zo hoog is. Facebook is gratis, zeggen ze, maar dat is niet helemaal waar. Het kost je tijd en het kost je privacy. En ik ga nu eenmaal graag de andere kant op dan de massa. Soms. Gek genoeg zit ik wel gewoon op Whatsapp, Instagram en Twitter, zelfs op Snapchat.

Nu mijn weblog meer en meer functies overneemt van Instagram en Twitter verandert ook mijn kijk op Facebook. Eerst was het een kwaad ding waarover ik geen controle had, maar met mijn weblog als hub is het misschien niet eens meer zo gek om Facebook aan het rijtje silo's waarnaar ik kopieën stuur. Het is gewoon een van de vele kwaden die ik gecontroleerd gebruik.

Mocht ik Facebook weer willen gaan gebruiken, dan moeten Facebook en ik wel even wat afspraken met elkaar maken over wat er wel en niet kan. Ik zal ze ter zijner tijd wat duidelijker opschrijven, maar hier een korte lijst:

  • Alles wat ik op Facebook post, post ik eerst op mijn eigen weblog. Dit doe ik nu al met Instagram en Twitter, inclusief reacties en likes.
  • Ik wil eerst een reader, zodat ik niet afhankelijk ben van de feed van Facebook, maar zelf de profielen die ik interessant vind kan inlezen en op één plek kan zien naast alle andere dingen die ik interessant vind. Als ik dan wil filteren kan ik filteren op mijn eigen voorwaarden. (Iemand die ik ken heeft een browserplugin die zijn Facebookfeed blokkeert. Dat wil ik dan ook. Geen gescroll daar.)
  • Ik wil een (ad?)blocker die externe scripts blokkeert, zodat Facebook me niet overal in de gaten houdt. (Dit heeft niet zo veel met terugkeren te maken, want nu blokkeer ik ze ook niet en weten ze dus precies waar ik kom op de interwebs.)
  • Het voordeel is dan dat mensen via Facebook met mijn weblog kunnen praten. Mocht ik dan daarna nog eens weggaan, dan hoop ik dat ze door hebben dat mijn weblog gewoon doorgaat.
  • Theoretisch hoef ik dus helemaal niet meer in te loggen op Facebook.com, maar gaat alle informatie geautomatiseerd van en naar mijn weblog.

Tja. Weer Facebook. Je zou deze post ook kunnen samenvatten als: vanavond piekte mijn FOMO tot historische hoogtes. We zullen zien hoe het morgen is.

Eurojacht

Ik koop vandaag de gekste zaken in de hoop de Litouwse euro-set voor mijn moeder te vervolledigen. Op dit moment ontbreken alleen de 5 en 20 cent, dus koop ik vooral zaken die hoge kans geven op die twee munten. Zo beging ik net de fout om een kleine karamelinis makijatas te kopen. Los van de karamel in de koffie gaf de kleine latte met € 2,20 maar kans op één 20-centmunt, terwijl de grote met € 2,60 kans had gegeven op twee 20-centmunten. Het meisje gaf één 20-cent-munt terug, maar dat was een Franse, dus nu moet ik nog iets kopen. Een aankoop van 0,75 is nu het beste, omdat dat zowel kans geeft op 20 als op 5 cent.

Er is geluk nodig bij het eurojagen. Eerder kocht ik de gebruikelijke ansichtkaart voor diezelfde moeder, voor op de koelkast. Litouwse internationale postzegels kosten 81 cent, en ze ronden niet af. Kans op 5 cent, dacht ik verheugd toen ik het bedrag zag, maar ik kreeg een hand vol 1 en 2 centen die ik al had en waar ik in Nederland ook niets aan heb. Gelukkig kon ik bij de supermarkt terecht met 1 euro en 9 centen om een broodje van 0,49 te kopen. Dat leverde een bruikbare 50-centmunt op.

Nu het latte-plan is mislukt moet ik weer iets nieuws kopen, liefst in de supermarkt. In de supermarkt heb je de meeste rust om het ideale totaalbedrag samen te stellen om zo veel mogelijk kans te maken op een Litouwse 20 en 5 cent. Het ziet er alleen zo vreemd uit als je elke keer opnieuw in de rij aansluit, dus ik denk dat ik het beste op zoek kan gaan naar een andere supermarkt. De latte is op, dus ik moet sowieso door.

Privéstukjes

Ik heb zojuist twee privéstukjes op dit weblog gepost. Het is een beetje onzinnig misschien, privéstukjes op een weblog, maar ik vind het idee leuk. Er is momenteel een soort hang naar meer privacy met dingen die je deelt. Twee mensen die ik ken zijn (net als anderen) nieuwsbrieven begonnen in plaats van of in aanvulling op hun blog. Snapchat en Instagrams imitatie van Snapchat zijn ook mooie voorbeelden: mensen delen er foto’s, maar tijdelijker en minder openbaar. Het jammere ervan is dat alle bovengenoemde voorbeelden niet meer tot het web behoren. Privéstukjes op weblogs horen wel bij het web, met alle voordelen van dien.

De stukjes zijn privé omdat ik ze eigenlijk niet goed genoeg vond, maar ik ze wel wilde bewaren binnen mijn weblogarchief. Ik had het daar laatst met Wout over. Op een of andere manier schrijf ik graag voor de openbaarheid. Mijn tekst moet een plekje hebben, dat het af is en dat ik het ergens neerzet en dat mensen daar dan naar kunnen kijken of niet. Dat hoeft natuurlijk helemaal niet, maar ik voel me daar beter bij.

Het alternatief is voor mij een mapje met tekstbestandjes voor ‘drafts’, of een opschrijfboekje met aantekeningen. Maar in beide gevallen voelt dat zo fragiel, zo nietsig. Ik heb stapels opschrijfboekjes die half-vol zijn en waar ik me schuldig over voel als ik er naar kijk en veel te veel mapjes vol schrijfsels waarvan ik niet meer precies weet hoe of wat en wanneer en waarom. Ik vind het fijn om een stukje te kunnen posten op een datum, dan is het af. Met dit privé-systeem kan ik het later altijd weer kopiëren, redigeren en opnieuw publiceren op een nieuwe datum.


Terug naar de stukjes. Je kan er hier een zien. Dat wil zeggen, er is niet zo veel te zien, want de instelling staat gewoon op private: true, wat zoiets betekent als ‘alleen voor mezelf’. In de planning staat wel om een soort inlog-ding te maken zodat vrienden en bekenden bepaalde stukjes kunnen lezen, maar hoe ik dat precies ga vormgeven is nog in brainstormfase.

Ik ben voorlopig weer content.

Beesten op je kamer

Twee weken geleden zat er een Heel Gek Beest in mijn kamer. Ik schrok ervan, ving het in een glas, en liet hem een nacht zo onder het glas op mijn printer staan. De volgende ochtend liet ik 'm vrij en deed tevreden mijn raam dicht.

Even later zat er een wesp op mijn kamer. Een wesp. Het is niet alsof ik met dit weer mijn raam heb openstaan of zo, dus ik heb geen idee hoe hij hier binnen kwam. Ook de wesp probeerde ik op humane wijze buiten te krijgen, maar eenmaal met het raam open bleef hij in de vensterbank zitten. Te koud buiten. Na lang treuzelen heb ik 'm toch nog vermoord. Sorry wesp.

Twee dagen geleden zat er weer een Heel Gek Beest in mijn kamer. Ik schrok er weer van, ving het in een glas, en liet hem een nacht zo onder het glas op mijn printer staan. Daarna ben ik 'm stiekem een beetje vergeten.

Vanochtend werd ik wakker van gezoem en getok. Dat klinkt als een insect, dacht ik. O ja, het Hele Gekke Beest zit nog in dat glas! Die moet er nodig uit. Maar bij het glas aangekomen bleek het beest zich heel rustig te gedragen. Voorzichtig schoof ik het gordijn opzij en jawel: daar zat een wesp. Hoe zat het ook weer? Tweemaal is de duivel, driemaal is God? We wachten af.

(Inmiddels zijn alle beesten weer buiten.)

Je moet meer schrijven

Wout zei dat ik me meer op het schrijven moest richten. Ik wist dat hij gelijk had.

De dagen nadat Wout dat zei, richtte ik me op het bouwen van een Micropub Endpoint. Nu kan ik stukjes op mijn weblog plaatsen via (web)-apps die door anderen gemaakt zijn. Mits ze Micropub ondersteunen, wat vooralsnog tamelijk zeldzaam is, maar toch. Mijn weblog ondersteunt zowel de FormEncoded als de JSON-variant, mét Media Endpoint én de configuration query. Ik was nog bezig met syndication targets en updaten en deleten via Micropub, maar toen hoorde ik Wout weer in mijn hoofd: je moet meer schrijven. En ik wist dat hij gelijk had.

Ik schrijf dit stukje in een web-app die door iemand anders gemaakt is. Want: een weblog bijhouden gaat niet om de ideale schrijfomgeving programmeren. Het gaat om het schrijven van stukjes. En dat kan prima in iemand anders’ ideale schrijfomgeving. (Mits zowel die schrijfomgeving als jouw weblog Micropub ondersteunen. Of ja. Dan gaat het makkelijker. Dan hoef je na het typen alleen maar op de knop te drukken.)

Dat ik uit de code ben ontwaakt, Wout hoorde en ben gaan schrijven komt vooral omdat ik het gevoel had dat ik er niet doorheen kwam. Dat achter elke functie die ik implementeerde wel weer een nieuwe bug zat, of een nieuwe functie die dan ook geïmplementeerd moest worden voor ik eindelijk stukjes kon gaan schrijven. Dat ik er nooit kwam.

Vroeger zeiden mensen tegen me dat ik er wel kwam. Ik nam aan dat ze daarmee iets met schrijven bedoelde, dat hoopte ik althans. Zelf heb ik een tijdje geloofd dat ik er bijna was, maar eerlijk gezegd weet ik nog steeds niet precies waar ‘er’ dan is. Dat geeft ook niet. ‘Er’ is misschien ook wel helemaal geen plek waar je kan zijn. Het is net als de regenboog achternalopen: je komt er nooit, maar als je om je heen kijkt zie je toch best leuke natuur. Maar dan moet je wel om je heen kijken, even stil staan en genieten van wat je al hebt.

Ik ga in deze web-app op ‘Publish’ drukken. Als er geen bugs zijn staat het daarna op mijn weblog. Wish me luck. Ik heb in ieder geval iets geschreven.

Hardlopen naar het centrum

Vandaag, 1 juni, blijkt internationale hardloopdag te zijn. Tenminste, dat zei Strava. Goed excuus om eindelijk eens een stukje over hardlopen te schrijven.

Beginnen met hardlopen

Een paar jaar geleden stelde ik mezelf een sportief doel: wat zou het vet zijn om non-stop naar het centrum te kunnen rennen. Ik woon in de Bijlmer, dus het is een tocht van ongeveer zeven kilometer die ik een aantal keer per week heen en terug fiets.

Vandaag, 1 juni, internationale hardloopdag, ging ik dan eindelijk op weg. De afgelopen maanden heb ik getraind met een app die me beloofde dat ik na 8 weken 5 kilometer kon rennen. Dat begon heel simpel, met zes keer 1 minuut rennen en daarna steeds anderhalve minuut lopen. De volgende rendag werd dat acht keer, en zo steeds meer, drie dagen per week. Ik weet nog hoe ik aan het vechten was voor tweeënhalve minuut rennen, alsof het nooit eindigde.

Maar als je eenmaal 8 minuten kan rennen slaat het om, dan ga je niet meer de renminuten tellen, maar de loopminuten. Bovendien denk ik dat ik die eerste paar keer ook veel te hard liep. Ik weet dat niet zeker, want destijds nam ik mezelf niet op.

Voor mijn verjaardag (3 juni, maar ik had ze eerder nodig) kreeg ik van mijn ouders nieuwe hardloopschoenen. Dat was nodig, want hoewel de app 8 weken zei, had ik al tweemaal een vrijdag strategisch geskipt vanwege (verkeerd) pijnlijke benen en dus daarna de week over gedaan. Vanaf toen, 20 april, ben ik mijn hardloopsessies ook met Strava gaan opnemen, waarmee ik erachter kwam dat ik idioot hard liep. Met nieuwe schoenen en een rustigere pace heb ik verder geen dagen meer hoeven skippen.

Op naar de 5k

Precies in week 10 was er op zaterdag de 5km-race van de Leidse marathon, ’s avonds door het centrum van Leiden. Omdat ik opgegroeid ben in Leiden, omdat het precies was toen mijn 5k-app klaar was, en omdat ik van dit soort symbolische toevalligheden hou, heb ik me ingeschreven.

Een week voor de wedstrijd had ik 40 graden koorts, maar dat weerhield me er niet van om twee dagen later de voorgeschreven 25 minuten met de app te rennen. En: ik haalde de 5km al, in 24:18. De rendag daarop moest ik 28 minuten rennen, waarvan de eerste 23:22 al 5km waren en bij de voorlaatste sessie van 30 minuten had ik 5km na 22:53. De 35 minuten op vrijdag skipte ik zodat ik zaterdag de race kon lopen. Daar liep ik 22:19, wat best wel idioot is voor iemand die 10 weken rent.

Inmiddels probeer ik nu rust te nemen met het hardlopen. Minderhardlopen. Dat wil zeggen. Ik heb geprobeerd 10km te lopen, voor mezelf, en met twee wandelingetjes tussendoor kwam ik toch nog onder het uur uit, vier dagen na mijn 5k-race. Het gematigd hardlopen is iets wat ik dus nog moet oefenen. In een poging tot ‘het rustig aan doen’ heb ik van dezelfde makers als de 5k-app hun 10k-app gekocht. Ook hier zal ik wel veel eerder de 10km vinden, maar het gaat ook om aan een stuk door kunnen lopen. Ik gedij goed bij een strak ritme van driemaal per week een programma hebben.

Maar eerst het centrum

Toch onderbrak ik vandaag het maandag begonnen regime van de 10k-app. Het punt is: ik ga verhuizen. En mijn eerder genoemde doel van naar het centrum rennen is natuurlijk minder leuk als ik niet meer in Amsterdam woon. Het moest nu gewoon even gebeuren. Bovendien is het vandaag dus internationale hardloopdag, dan moeten dat soort dingen.

De tocht zelf ging goed. Een dikke vrouw met dito kinderwagen versperde ergens het pad zó erg dat ik half door de bosjes moest. Vervolgens was zij boos dat ik haar liet schrikken, maar ik ben gewoon doorgerend. Ze kon me toch niet inhalen, of ik nu versnelde of niet.

Bij Amstel is de Treublaan, waarvan ik al dacht dat het misschien lastig werd die rennend over te steken. En inderdaad: rood licht, veel auto’s, dus ik stopte. Daarna heb ik dus even anderhalve minuut moeten lopen, want eenmaal stilstaand merkte ik dat ik, ja, toch best wel moe was van de eerste 4,1km in 19:16. Bij de Sarphatistraat had ik gelukt: de brug stond open, dus geen auto’s, ik kon zo doorrennen.

Het stuk langs de Amstel is altijd zo idyllisch, dáár wil ik rennen. Maar nu ik eraan terug denk was ik eigenlijk vooral bezig met het ene been voor het andere te zetten, en proberen niet in een fietser te knallen. Bij Waterlooplein is weer een drukke straat, maar omdat het verkeer vast stond kon ik er zo tussendoor floepen.

Op Waterlooplein hebben ze dus heel leuk een stukje atletiekbaan op de grond geschilderd. Het is maar een meter of 30, dus ik ging superenthousiast als een malle eroverheen. Het kostte me geloof ik 6 seconden, maar ik weet niet hoe accuraat de GPS is. Deze idiote inspanning zorgde ervoor dat ik alsnog met de ademhaling van een oude man over de Waterloopleinmarkt jogde.

Maar, ik hield vol, en haalde het: van Bijlmer naar Nieuwmarkt, 7,2km, in 35:42. Ik ben best trots op mezelf.

Die toevallige symboliek weer

Toen ik van Nijmegen naar Amsterdam verhuisde had ik twee kameropties gehad: eentje middenin het centrum, nabij Nieuwmarkt, in een huis voor ‘masterstudenten van ver’. Ik kwalificeerde en kwam zowaar op plek 3. Natuurlijk wilde nummer 1 de kamer al wel hebben. Het werd voor mij de tweede optie: een container in de Bijlmer.

Maar daarom ben ik Nieuwmarkt toch altijd een beetje als thuis in het centrum blijven beschouwen. Vooral omdat de Latijnse naam voor Nijmegen, ‘Novio Magus’ dus ook Nieuwe markt betekent. Ik heb tijdenlang twee fietsen gehad, waarvan er een standaard in de Bijlmer stond en een op de Nieuwmarkt, waartussen ik de metro nam.

Nu ik dus over een dag of 10 naar Nijmegen terugverhuis leek het me mooi symbolisch om vandaag naar het centrum te rennen. Bovendien is het dus de internationale rennersdag (wist ik veel). En deze 7,2 kilometer duwen de afstand die ik op Strava met mijn nieuwe schoenen heb gelopen naar de 100 kilometer. En aangezien ze dus een verjaarscadeau waren, ik vrijdag jarig ben, en ik morgen niet ren, heb ik daarmee precies 100 kilometer op de schoenen gerend voor ik de officieel cadeau krijg. En: als ik naar mijn nieuwe huis in Nijmegen was gerend was ik daar ook ongeveer 100 kilometer mee verder. (Niet dat ik was gefinisht, maar toch.)

Toevallige symboliek is overal.

Mijn weblog is 10 jaar

Hier is een stukje waar ik al de hele dag een beetje tegenop zie. Het zou namelijk een vrolijk stukje moeten zijn, met veel hoera en – waarom ook niet – blije emoji. Mijn weblog bestaat 10 jaar en dat ga ik vieren! Dat soort dingen.

Maar zoals jullie misschien ook wel weten is mijn weblog in de laatste paar jaar niet per se een heel actief weblog geweest. Er zijn meer weblogs die daar last van hebben. Sociale media en aanverwanten hebben het overgenomen. Wie nu iets te zeggen heeft, zegt het op Medium.com. Wie een punt wil maken, doet het op Twitter. Wie een latte drinkt, zet het op Instagram. En als je echt niets te zeggen hebt hebben we Snapchat nog. Het weblog is dood.

Tegelijkertijd komt het dus ook weer een beetje terug, merk ik. Daar las ik laatst over, op een blog, maar omdat ik toen zelf niet blogte heb ik de url niet opgeslagen. Anders waren hier dus linkjes, weet je nog, van die zinnen met alleen maar linkjes. Maar ook merkte ik dat Walter van den Berg weer stukjes schrijft, de laatste tijd. Het weblog zal wel nooit meer zo springlevend worden als het ooit was, maar het is nog niet weg. Leve het weblog.

Diezelfde Walter van den Berg schreef daar laatst ook iets over in zijn nieuwsbrief, waar ik door de vorm (als e-mailnieuwsbrief) niet naar kan linken. Hij vond dat de nieuwsbrief een veilige vorm was, juist omdat je er niet naar kan linken, en je dus ook geen risico loopt om viral te gaan met je domme gedachte. (Ik parafraseer er even op los.)

Ik zou zeggen dat een weblog in een bepaald opzicht ook nog veilig is wat betreft viral gaan. Viral ga je vooral op sociale media, op een blog heb je toch net iets meer controle over wanneer de content erop en vooral er weer af gaat. Het is opener dan een nieuwsbrief, maar dat is ook juist goed. De openheid van het web, weet je nog? Die is ook aan het afnemen. Maar hé, laten we die bewaren voor een ander keer.

Een andere keer. Want als ik mijn weblog dus een cadeau kan geven, voor deze tiende verjaardag, dan denk ik dat het vooral nieuwe stukjes zijn. Dat is een stukje vandaag, en hé, maandag nog een. Fijne verjaardag, weblogje van me!

Dan sluit ik af met iets dat toen je geboren werd nog niet bestond, maar nu op elke digitale verjaardag thuishoort: 🎉

Tosti

We zijn bij Tom thuis. Zijn moeder zei dat ze iets te eten zou maken, maar Tom liep direct naar boven. Ik heb nog vriendelijk ‘hoi’ tegen haar gezegd, omdat ik geleerd heb om beleefd te zijn. Volgens mij was het goed, want ze lachte nog even tegen me.

Tom zet de computer aan. Je ziet dat hij een gamer is aan de manier waarop hij achter de computer zit: zijn rechterhand op de muis, zijn linkerhand bij de W, A en D, duim op de spatiebalk, klaar om te schieten.

‘Ken je Unreal Deathmatch al?’

Tom kent alle spellen. Ik niet. Ik schud mijn hoofd. Tom voert zijn wachtwoord in.

‘Echt vet is die.’

Zijn bureaublad verschijnt. Het is een nogal blauwige afbeelding van een boogschutter. Het is nauwelijks een mens, maar ook geen bestaand dier. Je zou het een robot kunnen noemen, maar er zijn geen draadjes. Er verschijnen icoontjes op het scherm en Tom dubbelklikt op een rode schedel met hoorns. ‘UnReal DM’ staat eronder.

‘Die gaan we spelen,’ zegt Tom, terwijl het spel opstart. ‘We’ is in dit geval vooral Tom, vrees ik. Bij Mitch spelen we nog wel eens samen, maar hij heeft een Xbox. Op een computer kan er nou eenmaal maar één iemand de muis vasthouden.

Net als Tom op ‘start’ heeft geklikt, roept zijn moeder. ‘To-om, komen jullie? Er is tosti!’

‘Kutklote,’ mompelt Tom.


Beneden staan drie borden met tosti’s op tafel. Toms moeder zit al.

‘Daar zijn jullie dan,’ zegt ze.

‘Ja, ik moest toch even de computer uitzetten,’ zegt Tom terwijl hij aan tafel gaat zitten. Eigenlijk heeft hij nog een paar zombi’s neergeschoten en staat het spel nu op pauze, nadat zijn moeder nog twee keer had geroepen. Hij spuit ketchup op zijn bord. Ik ga zitten voor het laatste bord.

‘Toch niet weer zo’n schietspel hè?’ vraagt Toms moeder.

‘Nee hoor,’ zegt Tom. Hij neemt een hap van zijn tosti.

Ik kijk naar mijn tosti. Er zit ham op.

‘Ik geloof er niets van,’ zegt Toms moeder.

Ze neemt ook een hap. Tom haalt zijn schouders op.

Ik kijk naar mijn tosti. Dit is ham. Toms moeder kijkt me aan.

‘Is het niet goed?’

Ik schud mijn hoofd. ‘Nee hoor, is prima.’

‘Lust je geen tosti?’ vraagt Toms moeder.

‘Hij lust geen ham,’ zegt Tom.

‘Nee, ik lust het,’ zeg ik snel.

‘Maar je eet het nooit,’ zegt Tom. ‘Hij eet geen vlees.’

‘Hou je mond eens,’ zegt Toms moeder.

Tom spuit meer ketchup op zijn bord.

‘Mijn moeder is vegetariër,’ zeg ik.

‘O, dat wist ik niet,’ zegt Toms moeder.

‘Geeft niets,’ zeg ik en neem een hap van mijn tosti. Er zit ham op. Het voelt heel gek, ik weet dat dit een dier is en dat ik hem nu aan het opeten ben.

‘Maar jij bent geen vegetariër?’ vraagt Toms moeder.

‘Nee,’ zeg ik, hoewel dat strikt genomen niet waar is.

Tom kijkt weer op. ‘Ik heb je nog nooit vlees zien eten.’

Ik kijk naar mijn tosti. Tom heeft gelijk. Mijn moeder geeft me nooit vlees mee naar school. Bij de kerstmaaltijd had ze doorgegeven dat ik geen vlees at. Als enige kreeg ik een kaassoufflé, iedereen was jaloers.

‘Je mag het gewoon zeggen hoor,’ zegt Toms moeder, ‘dan maak ik een ander voor je, zonder ham.’

‘Nee,’ zeg ik, ‘ik wil het nu gewoon.’

Tom lacht. Zijn moeder kijkt hem aan.

‘Hij weet niet hoe vlees smaakt,’ zegt Tom. Ik kijk naar mijn bord.

‘Laat hem nou,’ zegt Toms moeder. ‘Je mag hem opeten als je wil, zeg het maar.’


Als ik thuis kom staat mijn moeder in de keuken.

‘Hoi Rick, hoe was het?’

‘Leuk,’ zeg ik, en gooi mijn tas in de hal.

‘Wat hebben jullie gedaan?’

‘Gewoon, spelletje.’

‘Leuk hoor. Blijf je hier? Het is zo klaar.’

Ik loop de trap op en ga op bed liggen. Mijn keel voelt raar. Mijn buik ook. Ik heb een dier gegeten. Mijn moeder roept. Ik blijf op bed liggen.

Waarom Spotify niet fijn is

Gister schreef ik een stukje waarin ik Spotify een kutapp noem. Dat verdient nuance. Bij dezen.

Het nare aan Spotify is dat er een vrij basale functie niet goed werkt. Eens in de zoveel tijd probeer ik het weer, maar het blijft er in zitten. En dan ga ik dus weer weg.

Het geval is: als je een album afspeelt komt het album in de afspeelwachtrij te staan. Daar kan je keurig netjes zien welke nummers je nog gaat horen. Als je tussen de nummers van het album door een ander nummer wil horen, kan je een nummer selecteren en voor 'toevoegen aan wachtrij' kiezen. Nadat je huidige nummer is afgelopen speelt hij dat nummer en dan gaat hij weer door met het album. Allemaal heel fijn en bloemetjes.


Maar stel dat je het album dat je aan het draaien bent niet af wil luisteren. Gewoon, als dit nummer is afgelopen, dan de rest niet meer. Dat gaat niet. Je kan wel de aan de wachtrij toegevoegde nummers (met een geel stipje ervoor) verwijderen, maar niet het album waaruit je aan het afspelen bent. Dat is de basis, die gaat nooit weg. Ik vind dat irritant.

Erger is het als je zoekt op iets. Als je dan een nummer aanklikt ga je afspelen vanuit die zoekopdracht. Zoek eens op 'summertime' (dat betekent lente of zoiets) en voor je het weet krijg je eindeloos hetzelfde nummer door diverse artisten, samen met andere nummers die toevallig ook 'summertime' in de titel hebben. Ik kan natuurlijk ook wel gewoon de muziek uitzetten, maar ik hou er niet van een nummer af te kappen als het eenmaal is begonnen.


Zet daar iTunes tegenover. Als je iets aan het afspelen bent kan je te allen tijde het venstertje met 'volgende nummers' openen, waarin je precies ziet wat er komt. Er zijn zelfs twee categorieën, eentje voor de nummers die je er tussendoor doet en eentje voor het album dat je aan het afspelen was. Bij beide staat een 'wis'-knop, heel overzichtelijk.

Ik hou van muziek, maar het moet wel uit kunnen als ik dat wil. O, en dat zwart is lelijk.

Commentaar bij een tweet: 'ik' in het Japans

Graag wil ik in dit weblogstukje wat kantekeningen plaatsen bij de tweet die ik gister verstuurde. Het is een beetje bla bla, want de tweet zelf is prima, maar er is altijd ruimte voor nuance (al is het misschien niet op Twitter), dus bij dezen. Maar voor ik met die nuances begin wil ik nog even kwijt dat ik totaal niet de persoon ben die mag praten over nuances bij verschillen tussen Japans en Nederlands, want ik spreek helemaal geen Japans. Ik heb wel Nederlands (en dus soort van Taalwetenschap-lite) gestudeerd en ik bedoel het goed, dus ik probeer het gewoon.


De tweet ging als volgt:

Interessant: Japanse kinderen leren pas in de 6e klas het teken '私'. Bij ons is 'ik' het allereerste wat we schrijven, een hele pagina vol.

Nou, aan de inhoud zelf valt volgens mij weinig te twijfelen. Het teken 「私」 zit in de set van kanji die in het zesde jaar aan Japanse scholieren worden onderwezen. En wat betreft de Nederlandse situatie: daar ben ik vrij zeker van, ik heb het zelf gedaan.

Het punt dat ik wilde maken is dat het teken voor 'ik' en het woord voor 'ik' in het Japans gewoon niet dezelfde waarde heeft als ons woord 'ik' en de bijbehorende tekens 'ik'.

In het Japans is het namelijk veel minder noodzakelijk om daadwerkelijk het woordje 'ik' te gebruiken. In het Nederlands (en enkele andere Noord-Europese talen, waarvan een toevallig een gooi doet naar het Wereldtaalschap) is het namelijk verplicht om een onderwerp in de zin uit te drukken.

In het Spaans is 'como' genoeg om te zeggen dat je eet, omdat de 'ik' al in de vervoeging van het werkwoord zit opgesloten. Sterker: 'Como.' is gewoon een complete zin in het Spaans. In het Nederlands en Engels kom je daar niet mee weg. (Of ja, 'Eet.' kan ook een zin zijn, maar dan is het een opdracht. Je snapt wat ik bedoel.)

Bij ons gaat het zo ver dat we zelfs als er totaal niemand in de buurt is die ook maar iets met het werkwoord van doen heeft, we tóch iets neer moeten zetten. Ik bedoel, neem nu 'Het regent.'. Wie is die 'het'? 'Regent.' is echt wel voldoende, maar ja, niet voor ons taalgevoel.


Zo anders is het dus in Japans. Daar schijnt het mogelijk te zijn om een gesprek te voeren als dit:

A: 元気?
B: 元気。

Je spreekt die tekens uit als 'genki', met de G van Google, en het betekent gezondheid. Het geheel betekent iets in de trant van 'Alles goed? - Ja, prima.', dat alles zonder ook maar een werkwoord, zonder een onderwerp, dus ook zonder 'ik'. Toegegeven, ook in mijn losse Nederlandse vertaling komt geen 'ik' voor, maar het gaat om het principe en dat principe werkt in heel de Japanse taal door: zodra je weet waar je het over hebt, hoef je het niet uit te spreken. Als iemand zomaar naar gezondheid vraagt, zal het wel over andermans gezondheid gaan, en als iemand het gewoon zegt, zal het wel over zijn eigen gezondheid gaan.

Enfin, op die manier heb je het woord 'ik' dus veel minder voor. (In het Japans kan je zelfs, als je wil, gewoon je eigen naam noemen als je het over jezelf hebt. Het wordt wel als kinderachtig ervaren, schijnt, maar het werkt wel. 'Elmo nieuwe schoenen.' Prima zin.)


Als tweede punt wilde ik nog aanhalen dat het teken 「私」 helemaal niet de enige manier is om 'watashi' te schrijven. (En daarmee verwijs ik even niet naar het feit dat het Japans ook nog allemaal andere woorden voor 'ik' heeft. Die kanji leren de kinders zelfs nog later pas.) Het punt is dat het Japans meerdere schriftsystemen heeft die ze door elkaar gebruiken. Als je het correcte teken voor 'watashi' nog niet weet, kan je het als 「わたし」 (wa-ta-shi) schrijven. Ook dat zal waarschijnlijk als kinderachtig worden ervaren, maar ja, ze zitten nog op school. Als je het echt nodig hebt is het tenminste wel voorhanden.


Nou ja, dit alles neemt natuurlijk niet weg dat wij nog steeds onze kinderen opvoeden door ze op dag één van groep 3 een velletje vol met 'ik' te laten schrijven. Het is iets om over na te denken.

Nieuw Seblog

Vandaag is mijn weblog 8 jaar geworden. Vandaar dat ik dacht: laat ik maar weer eens iets nieuws bouwen. Vanaf nu draait mijn weblog weer helemaal op eigen bouwsels, geen Wordpress of andere fancy CMS-systemen meer. En het ziet er gelijk anders uit ook.

Alles van vóór de verbouwing vind je hier.

In je oren

Gisteravond droeg ik een tekst voor bij de muzikale sneak preview-avond In je oren. Mijn tekst was een hint naar een van de zangers, kijk maar of je het kan raden.


Ik zit met Tim op het bruggetje. Het is al vier maanden uit, maar we zijn vrienden gebleven, dat wilde hij graag. We kijken naar het eilandje waar een eend de kant op wil, maar er niet op komt. Tim is stil. Ik ook. We zitten hier wel vaker en praten dan over de dingen waar we vroeger over praatten. Alleen nooit over ons samen, meer over anderen.

'Jij en ik hebben veel hetzelfde,' zegt ik. 'En we accepteren elkaar. Dat is fijn.' Tim blijft naar de eend kijken en knikt. Ik kijk naar hem, naar zijn mooie gezicht, de fijne lijnen. Ik maak mezelf wijs dat dit goed is zo, dat ik ook eigenlijk niets anders nodig heb dan af en toe naar hem te kijken.

'Ik moet je iets vertellen,' zegt hij, 'maar ik weet niet of je het wil horen.' Ik kijk weer naar het eiland, zoek naar de eend, maar zie hem nergens. Ik weet dat ik dit niet wil horen, ik had niets moeten zeggen. Toch zeg ik: 'Dat weet ik pas als je het vertelt.' Tim is even stil. Ik weet dat hij wil dat ik het hoor.

'Weet je nog dat we naar de Waterside gingen, maar jij niet kon?' Ik knik, ik lag thuis in bed. Ik voel dat ik daar nog lang spijt van ga hebben. 'Ik weet niet,' zegt Tim, 'maar ik heb daar een meisje ontmoet.' Inmiddels zie ik ook het eiland niet meer echt. Ik zie een meisje dat als een popster door de Waterside loopt. Ik wil dat Tim stopt met dit vertellen.

'Het is helemaal niet handig,' zegt Tim 'Je weet dat ik dat niet wil, maar ik was direct helemaal verliefd. We hebben al een paar keer afgesproken. Morgen zie ik haar weer.' Het voelt alsof er een kanonskogel naar mijn maag afdaalt, maar mijn hoofd is licht, als een veertje. Er fietst een man langs. Voor hem zijn we gewoon twee jongens die aan de waterkant zitten.

De cowboy

Vriend, dichter, programmeur en wetenschapper Wout Waanders organiseerde op het Wintertuinfestival een symposium over literaire festivals. Ik schreef er deze tekst bij.


In een theater hier niet ver vandaan had ik een tijdje een literair festival. Nu klinkt dat heel wat, maar zo moeilijk was het niet. Mijn zus schrijft namelijk poëzie en mijn buurman ook. In de zaal zaten dus steevast mijn moeder en de buurvrouw. Af en toe vertelde ik zelf een verhaaltje over een cowboy die ik Koeman noemde. Zo kwamen we de avond wel door.

Op een dag kwam de eigenaar van het theater op me af. Hij vroeg of ik zelf niet een cowboy was. Ik ontkende, wat kon ik anders. Hij had een papier bij zich en tekende daarop met een viltstift een kruis. 'Ik wil weten aan welke kant jij staat,' zei hij, en hij gaf me de viltstift. Ik koos voor de bovenkant. De eigenaar knikte.

Daarna begon het gezeur. Toen we op een maandagavond aan het repeteren waren kwam hij binnen met zijn viltstift. 'Opera,' zei hij, 'dat is pas kunst,' en wees op mijn zus. Hij zei dat hij haar teksten te incrowd vond, mijn publiek te smal. Mijn buurvrouw was alles behalve smal, maar dat kon ik natuurlijk niet zeggen waar de buurman bij was.

De eigenaar programmeerde steeds vaker opera, zodat er geen plaats meer was voor mijn festival. Waar hij die soepjurken vandaan haalde zou ik ook niet weten. En dan die muziek. Ik vond er niets aan.

Later begreep ik dat de buurvrouw ook in het complot zat, dat ze al jaren stiekem onder de douche zong. De buurman zat voortaan dus braaf in het publiek, maar ik heb mijn moeder met klem verzocht niet te gaan. Ik geloof dat ze wel een keer stiekem geweest is, dus voor de zekerheid speelde ik ieder weekend backgammon met haar.

Daarna ging het bergafwaarts met het theater. De eigenaar heeft het moeten verkopen. Ik geloof dat hij ook nog een museum voor Mississippiboten heeft gehad. Stiekem was hij zelf de cowboy.

Ilyas

Voor het schrijversgenootschap 'De Voorheen Lege Bladzijde' schreef ik als gastschrijver een verhaal bij het thema 'heilige'.

Het was de tweede keer dat ik bij Ilyas op bezoek ging, dat ik zijn vader zag spelen. Hij zat met drie andere mannen aan de tafel om een soort koffer.

Ilyas hield me er vandaan. ‘Laten we naar boven gaan,’ zei hij. Ik knikte en keek naar de mannen. Ilyas’ vader zat tegenover een een man met een snor. De man had net met twee dobbelstenen in de koffer gegooid, Ilyas’ vader keek moeilijk. Ilyas deed een stap richting de deur. Ik bleef staan.

Een van de mannen die toekeek riep iets wat ik niet verstond. Ilyas’ vader zuchtte, gebaarde dat hij het wist. De man lachte. De man met de snor schoof wat in de koffer, terwijl de anderen knikten.

Ik deed een stap naar voren om beter te zien wat er op tafel gebeurde. De koffer lag vol met rode en gele schijven die in groepjes op rode en gele punten lagen. Verder leek er niet echt een systeem in te zitten. Ilyas’ vader gooide de dobbelstenen in de koffer. Een twee en een zes. De mannen keken bedenkelijk. Ilyas’ vader verschoof twee rode stenen, legde een gele in het midden op de rand van de koffer en pakte de dobbelstenen weer. Hij had zijn handen nog niet uit de koffer of de andere man gooide twee andere dobbelstenen de koffer in.

Ilyas kwam naast me staan, keek ook naar de koffer. Een van de mannen keek op en keek naar ons. ‘Ah, jongen,’ zei hij tegen mij, ‘speel je ook?’ Ik schudde mijn hoofd terwijl de andere man de gele steen op de rand omruilde voor een rode. Ilyas’ vader gooide weer. Twee vieren. ‘Dit spelen ze altijd op zondag,’ zegt Ilyas zacht achter me. ‘Het heet backgammon.’ Ik geloof dat ik er wel al eens van gehoord had.

‘Dat is wel even wat anders dan die spelletjes van tegenwoordig, hè?’ zei de man. ‘Dit is al eeuwen oud.’ Ik knikte maar. ‘Sommige mensen vergelijken het met schaken,’ zei Ilyas’ vader. ‘Maar schaken is zo stijf. Dit is een racespel, dit gaat om geluk en tactiek.’ Hij glom erbij. ‘Dit gaat over je vertrouwen in God en het vertrouwen dat God in jou heeft.’ Met kracht gooide hij zijn dobbelstenen de koffer in. Een drie en een twee.

Terwijl zijn vader stenen verschoof trok Ilyas me mee naar de gang. Boven speelden we een kaartspel met monsters. De volgende ochtend op school vertelde Ilyas dat zijn vader had verloren die avond. God had er toch niet genoeg vertrouwen in gehad.

Groene bak

Gisteravond schreef ik à la Nico Dijkshoorn live een lollige tekst bij een discussie. Het was heel spannend. We reden in een bus naar een afvalscheidingsinstallatie en na een paar rondjes over het terrein barstte de discussie over afvalscheiding los in de bezoekersruimte. (De 'ontvangstruimte' verwees naar de plek waar ze afval binnen krijgen, bleek.) Hieronder staat de tekst die ik live schreef.


Het is woensdag, dus de groene bak moet naar buiten. Albert trekt zijn schoenen aan en loopt naar de achterdeur. De hond spitst zijn oren. De bak door het huis is het hoogtepunt van de week. Of anders wel het schoonspuiten van de bak, vanavond als hij leeg is. Spelen met water, het einde.

Albert doet de deur open en de hond springt op. In dit huishouden wordt het afval gescheiden. De groene bak is geen noviteit, papier en glas deden ze ook al een beetje, maar sinds kort scheiden ze plastic. Ergens in de bijkeuken staat een krat voor blik. De groene kant van zijn vrouw, vertelt ze op feestjes, maar Albert weet beter.

Het is allemaal begonnen met de afvalcoach. Op een zekere dinsdagavond belde hij aan. Het was een vlotte jongen met vuilniszakkenzwart haar. Hij had zo'n mapje van de gemeentelijke afvalscheider en een vlot praatje. Albert was de vaatwasser maar gaan inruimen. Zijn vrouw ging met koffie en de jongen op de bank zitten, druk babbelend over rotzooi.

De hond blaft. Albert trekt de groene bak de keuken in. Als het ooit zo ver mocht komen dat hij dit huis moet verlaten, neemt hij een huis met een achterom. En zonder hond. De groene bak piept door de gang.

'Cradle to cradle,' zei de vlotte jongen de volgende week op hun bank. 'Dat wil zeggen dat je uit een weggegooid product weer opnieuw hetzelfde product maakt. Maar ja, je hebt wel altijd vervuiling. Zolang er luiers bij het afval zitten mogen we het plastic niet voor voedingsverpakkingen gebruiken. Vandaar moet je scheiden.' Vuil is vuil, dacht Albert in de keuken, en als een baby zijn eigen uitwerpselen weer tot zich neemt, kan je dat toch ook zien als cradle to cradle.

Zijn vrouw nam alles klakkeloos over. 'Eigenlijk is ons plastic scheiden nog niet genoeg,' zei ze belerend toen Albert weer eens een verpakking bij het restafval had gegooid. 'Er zijn politiepolenen en politiekolenen, die kunnen absoluut niet met elkaar overweg, maar wij gooien ze wel gewoon in dezelfde bak.' Ze keek er heel ernstig bij.

Albert doet de voordeur open. Wat hem betreft kan alles gewoon in één bak. Hij duwt de groene bak de voortuin in. De hond blaft weer. Ze moeten gewoon van zijn vrouw afblijven.

Meer laden