Vandaag hoorde ik iemand praten over 'de bouwvak' en het viel me op dat dat eigenlijk een gek woord is. Officieel is dit natuurlijk een het-woord: 'het bouwvak', zoals ook 'het boekvak' en 'het kappersvak', maar ik neem aan dat de meeste mensen zonder context weten dat 'de bouwvak' opeens iets heel anders betekent: het is kort voor 'de bouwvakvakantie', de periode in de zomer waarin je er vanuit kan gaan dat er niets meer gaat gebeuren met de verbouwing, wegafsluiting of andersoortige baricade waar je tegenaan loopt voor tenminste een maand.

Ik geloof niet dat ik een ander Nederlands woord ken dat op deze manier met het veranderen van het lidwoord van betekenis verandert. Misschien hooguit 'het fietsen', in de zin 'het fietsen van Henk hing Bep de keel uit,' maar dat voelt toch anders.